Vertaling van voor

Nederlands
Frans
voor, ten behoeve van {vz.}
afin de 
pour 
à 
voor {vz.}
avant 
devant 
aan, jegens, met, om, op, te, tot, voor, in {vz.}
de 
en 
frons [v], geul, groef, rimpel, voor, vore, zog {zn.}
ride  [v] (la ~)
sillon  [m] (le ~)
aan, bij, naar, tegen, tot, voor, op {vz.}
en 
vers 
à 
envers 
pour 
door, uit, vanwege, voor, wegens, met, om {vz.}
à cause de 
de 
in, voor, over
pendant
durant
en
aanmaken, bereiden, toebereiden, voorbereiden {ww.}
préparer 

ik bereid voor
jij bereidt voor

je prépare
tu prépares
» meer vervoegingen van préparer

Gerelateerd aan voor

ten behoeve van - aan - jegens - met - om - op - te - tot - in - frons - geul - groef - rimpel - vore - zog