Betekenis van:
tegelijk

tegelijk
Bijwoord
  • op hetzelfde moment
"Zij draaiden zich allebei plotseling om en liepen tegelijk naar de ijskraam terug."
tegelijk
Bijwoord
  • in dezelfde periode
"Volgens mij hebben zij tegelijk gestudeerd."
tegelijk
Bijwoord
  • tevens.
"Zij is arts en tegelijk schrijfster."
tegelijk
Bijwoord
  • samen met iemand of iets anders
"Als de timmerman toch komt, kun je tegelijk de rest van de meubels laten repareren."

Voorbeeldzinnen

  1. Probeer niet twee dingen tegelijk te doen.
  2. Aan het begin van elk weekeinde ben ik tegelijk moe en vrolijk.
  3. Waar vrienden zijn, is tegelijk rijkdom
  4. Sommige mensen lezen de krant en kijken tegelijk naar de televisie.
  5. Zelfs de goden kunnen niet tegelijk verliefd en wijs zijn
  6. Zelfs Hercules kan er geen twee tegelijk aan
  7. Idealiter tegelijk met de TRC vastgesteld.
  8. De verlichting mag uitsluitend tegelijk met de achterlichten branden.
  9. Het dimlicht mag tegelijk met het grootlicht blijven branden.
  10. Tegelijk moeten ook de redenen voor de herziening worden vermeld.
  11. LT Verzekeringsmaatschappijen mogen niet tegelijk levens- en schadeverzekeringen aanbieden.
  12. Het dimlicht mag tegelijk met het grootlicht blijven branden.
  13. Vet- en calciumverwijdering kunnen tegelijk of apart worden getest.
  14. Grote drinkbakken (waaruit ten minste twee varkens tegelijk kunnen drinken)
  15. Het overgavepunt is niet tegelijk ook een overgangs- of afhandelingspunt;