Betekenis van:
meter
meter (de ~ | meervoud meters)
Zelfstandig naamwoord
- eenheid voor het meten van lengte
"dat klopt voor geen meter"
"[twee] meter lang/hoog/breed/diep"
Hyperoniemen
meter
Zelfstandig naamwoord
- meetinstrument, gereedschap of toestel om grootheden (maten, gewichten) te bepalen
" De wijzer van de meter mag niet in het rode gebied komen."
meter
Zelfstandig naamwoord
- de SI-basiseenheid van lengte
meter
Zelfstandig naamwoord
- iemand die metingen verricht of meters afleest
meter
Zelfstandig naamwoord
- een doopmoeder
Voorbeeldzinnen
- Het was tachtig meter lang.
- Het was acht meter lang.
- Ik ben 1 meter 90.
- Een kubieke meter correspondeert met 1000 liter.
- Het gebouw is honderd meter hoog.
- Natuurkunde interesseert me voor geen meter.
- De berg is tweeduizend meter boven het zeeniveau.
- Zijn record is een nieuw wereldrecord op de honderd meter sprint.
- Vorm een rij die één meter ver is van de rij voor jou.
- Een ijspegel van een meter is niet ongebruikelijk.
- Meter
- Vierkante meter
- Kubieke meter
- = kubieke meter
- Goedgekeurde meter