Betekenis van:
emmer

emmer (de ~ | meervoud emmers)
Zelfstandig naamwoord
  • vat met een hengsel voor het vervoeren en bewaren van stoffen
"een emmer water"
"dat is de druppel die de emmer doet overlopen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

emmer
Zelfstandig naamwoord
  • busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
"Moe van het ramen lappen zette hij de emmer weg."
emmer
Zelfstandig naamwoord
  • ''Triticum dicoccum'' Schrank ex Schuebl. syn. ''Triticum turgidum'' subsp. ''dicoccon'' is een tetraploïde tarwesoort, met wilde en gecultiveerde varianten

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. De emmer was vol water.
  2. Vul alstublieft deze emmer met water.
  3. Heeft u misschien een emmer water voor mij? Ik heb een lekke band.
  4. Heeft u misschien een emmer water voor mij? Ik heb een lekke band.
  5. Emmer (bucket)
  6. Emmer (pail)
  7. Emmer (pail) PL
  8. Emmer (bucket) BJ
  9. Het gebruik van een pictogram (zoals een emmer van 5 l en het aantal dopjes met ml) verdient aanbeveling, maar is niet verplicht.