Betekenis van:
emmer
emmer (de ~ | meervoud emmers)
Zelfstandig naamwoord
- vat met een hengsel voor het vervoeren en bewaren van stoffen
"een emmer water"
"dat is de druppel die de emmer doet overlopen"
Hyperoniemen
Hyponiemen
emmer
Zelfstandig naamwoord
- busvormig vat (met hengsel), waarin men vloeistoffen of vaste stoffen kan verplaatsen
"Moe van het ramen lappen zette hij de emmer weg."
emmer
Zelfstandig naamwoord
- ''Triticum dicoccum'' Schrank ex Schuebl. syn. ''Triticum turgidum'' subsp. ''dicoccon'' is een tetraploïde tarwesoort, met wilde en gecultiveerde varianten
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- De emmer was vol water.
- Vul alstublieft deze emmer met water.
- Heeft u misschien een emmer water voor mij? Ik heb een lekke band.
- Heeft u misschien een emmer water voor mij? Ik heb een lekke band.
- Emmer (bucket)
- Emmer (pail)
- Emmer (pail) PL
- Emmer (bucket) BJ
- Het gebruik van een pictogram (zoals een emmer van 5 l en het aantal dopjes met ml) verdient aanbeveling, maar is niet verplicht.