Betekenis van:
waarheid

waarheid
Zelfstandig naamwoord
  • dat wat waar is
waarheid
Zelfstandig naamwoord
  • dat wat als waar wordt beschouwd door een persoon of groep

Voorbeeldzinnen

  1. Waarheid baart haat.
  2. Ik ontdekte de waarheid.
  3. Hij vertelde me de waarheid.
  4. Uiteindelijk ontdekte hij de waarheid.
  5. Alleen de waarheid is schoon.
  6. Zal je me de waarheid vertellen?
  7. Ik vertel je beter de waarheid.
  8. Je had hem de waarheid moeten zeggen.
  9. We zullen weldra de waarheid weten.
  10. Waarom zegt hij de waarheid niet?
  11. Je moet altijd de waarheid spreken.
  12. Conchita besloot Mary de waarheid te vertellen.
  13. Ge zoudt altijd de waarheid moeten zeggen.
  14. Heeft hij je de waarheid gezegd?
  15. Waar de waarheid is