Betekenis van:
vrouwelijk

vrouwelijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • zoals een vrouw
"vrouwelijk lachen/spreken"
"(een man met) een vrouwelijke stem"

Hyperoniemen

vrouwelijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • tot het biologische geslacht behorend dat nakomelingen kan voortbrengen
"een vrouwelijke chirurg"
"een vrouwelijke bloem"
vrouwelijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • behorend tot de naamwoorden, waarnaar verwezen wordt met ""lzij""r
"een vrouwelijk woord"
"woorden die eindigen op -ing zijn vaak vrouwelijk"

Synoniemen

vrouwelijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • met betrekking tot een vrouw, kenmerkend voor een vrouw
"vrouwelijke charmes."
vrouwelijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • behorend tot het woordgeslacht dat mannelijk noch onzijdig is
"Directrice, merrie en liefde zijn vrouwelijke woorden in het Nederlands."

Voorbeeldzinnen

  1. Ik heb drie honden. Eentje is mannelijk en de andere twee zijn vrouwelijk.
  2. Slechts zestien procent van de leraren van deze school is vrouwelijk.
  3. vrouwelijk:
  4. vrouwelijk
  5. geslacht: mannelijk; vrouwelijk;
  6. geslacht: mannelijk; vrouwelijk;
  7. Runderen, schapen, geiten, paardachtigen (vrouwelijk)
  8. Vermelden: M voor mannelijk; F voor vrouwelijk.
  9. Vermelden: M voor mannelijk; F voor vrouwelijk.
  10. „zeug”: een vrouwelijk varken na de eerste worp;
  11. „gelte”: een geslachtsrijp vrouwelijk varken dat nog niet heeft geworpen;
  12. vrouwelijk (vaarzen; dieren die nog niet hebben gekalfd):
  13. Vak I.28: Geslacht (M = mannelijk, F = vrouwelijk, C = gecastreerd).
  14. „zogende zeug”: een vrouwelijk varken in de perinatale periode totdat de biggen zijn gespeend;
  15. 90 melkkoeien en vrouwelijk jongvee voor de vervanging, in totaal 120 stikstof-GVE's