Betekenis van:
wekelijks

wekelijks
Bijvoeglijk naamwoord
  • eens per week
"de wekelijkse boodschappen/markt//vergadering/persconferentie"
"de wekelijkse rubriek/uitzending/repetitie/les/rustdag"

Hyperoniemen

wekelijks
Bijvoeglijk naamwoord
  • een maal per week, elke week terugkerend
"Dit is de wekelijkse markt."
wekelijks
Bijwoord
  • een maal per week, elke week
"De kaasboer komt hier wekelijks langs."

Voorbeeldzinnen

  1. Wekelijks
  2. Wekelijks
  3. bruto wekelijks
  4. wekelijks bericht: „WKL”,
  5. zij worden wekelijks uitgevoerd [12];
  6. Wekelijks bedrag van de werkloosheidsuitkering: … netto,
  7. Wekelijks moeten de dieren worden gewogen.
  8. Tijdschriften worden periodiek gedrukt (wekelijks, tweewekelijks of maandelijks).
  9. Het is eveneens aanbevolen het voerverbruik wekelijks te meten.
  10. na het slachten van de varkens wekelijks een verslag met informatie over:
  11. Bovendien moeten groothandelaren die deze eieren fysiek verhandelen, hun voorraad wekelijks registreren.
  12. Wekelijks, zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts van het punt van thermische lozing
  13. Sociale stress bij paars- of groepsgewijs gehuisveste dieren dient minstens wekelijks te worden gecontroleerd.
  14. Alle resultaten worden wekelijks aan de Commissie en de andere lidstaten medegedeeld.”.
  15. wekelijks op maandag en op donderdag, de hoeveelheden producten waarvoor aanvragen om een contract te sluiten zijn ingediend;