Betekenis van:
wekelijks
wekelijks
Bijvoeglijk naamwoord
- eens per week
"de wekelijkse boodschappen/markt//vergadering/persconferentie"
"de wekelijkse rubriek/uitzending/repetitie/les/rustdag"
Hyperoniemen
wekelijks
Bijvoeglijk naamwoord
- een maal per week, elke week terugkerend
"Dit is de wekelijkse markt."
wekelijks
Bijwoord
- een maal per week, elke week
"De kaasboer komt hier wekelijks langs."
Voorbeeldzinnen
- Wekelijks
- Wekelijks
- bruto wekelijks
- wekelijks bericht: „WKL”,
- zij worden wekelijks uitgevoerd [12];
- Wekelijks bedrag van de werkloosheidsuitkering: … netto,
- Wekelijks moeten de dieren worden gewogen.
- Tijdschriften worden periodiek gedrukt (wekelijks, tweewekelijks of maandelijks).
- Het is eveneens aanbevolen het voerverbruik wekelijks te meten.
- na het slachten van de varkens wekelijks een verslag met informatie over:
- Bovendien moeten groothandelaren die deze eieren fysiek verhandelen, hun voorraad wekelijks registreren.
- Wekelijks, zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts van het punt van thermische lozing
- Sociale stress bij paars- of groepsgewijs gehuisveste dieren dient minstens wekelijks te worden gecontroleerd.
- Alle resultaten worden wekelijks aan de Commissie en de andere lidstaten medegedeeld.”.
- wekelijks op maandag en op donderdag, de hoeveelheden producten waarvoor aanvragen om een contract te sluiten zijn ingediend;