Betekenis van:
aan
aan
Bijvoeglijk naamwoord
- actief, in bedrijf
"De kachel is aan."
aan
Voorzetsel
- verbonden met, tegen, tegenaan
"Het schilderij hangt aan de muur."
aan
Voorzetsel
- de ontvangende persoon (datief)
"Ik geef die rozen aan Sandra."
aan
Voorzetsel
- op een bepaalde plaats
"'aan' boord: op het schip."
aan
Voorzetsel
- bestaande uit
"Hij bezit een fortuin aan aandelen."
aan
Voorzetsel
- verdeeld in
"De spiegel viel aan diggelen."
aan
Bijwoord
- aanzetten: ''jij '''zet''' de motor aan''.
Voorbeeldzinnen
- Hij paste zich aan de omstandigheden aan.
- Hij zit aan tafel.
- Duitsland grenst aan Nederland.
- De zonsopgang breekt aan.
- Trek je pyjama aan.
- Duitsland grenst aan Frankrijk.
- Waar denk je aan?
- Doe de radio aan.
- Ik dacht aan jou.
- Ze zitten aan tafel.
- Ze stierf aan maagkanker.
- Er klopt iemand aan.
- Ze stierf aan kanker.
- Ze trok sokken aan.
- Zet het alsjeblieft aan.