Betekenis van:
dank
dank
Zelfstandig naamwoord
- een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
"Hij bewees zijn dank met een bos bloemen."
dank (de ~)
Zelfstandig naamwoord
- erkentelijkheid; dat waarmee je bedankt; dankbaarheid
"tegen wil en dank"
"dank voor [je medewerking]"
Synoniemen
Hyperoniemen
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ik dank u.
- Dank je wel!
- Nee, dank u.
- Dank u, meneer.
- Nee, dank u.
- Dank je wel!
- Bij voorbaat dank.
- Dank u wel, dokter.
- Dank u voor uw moeite.
- Dank je, dat is alles.
- Dank je voor het cadeau.
- Ik ben in orde, dank je.
- "Bedankt voor de hulp." "Geen dank."
- Ik dank u voor uw vriendelijkheid.
- Dank u, met mij gaat het goed.