Betekenis van:
tandarts

tandarts (de ~ | meervoud tandartsen)
Zelfstandig naamwoord
  • arts voor gebitsonderhoud/ -reparatie
"de tandarts bezoeken"
"naar de tandarts (moeten/gaan)"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

tandarts
Zelfstandig naamwoord
  • een medisch specialist op het gebied van de tandheelkunde
"Mijn echtgenoot is tandarts en heeft een eigen praktijk."

Voorbeeldzinnen

  1. Hij is tandarts van beroep.
  2. Ken jij een goede tandarts?
  3. Ge zoudt naar een tandarts moeten gaan.
  4. Tom heeft om half drie een afspraak bij de tandarts.
  5. Ze raadde hem aan de tandarts te gaan, maar hij zei dat hij daar niet genoeg tijd voor had.
  6. Handinstrumenten voor tandarts
  7. Medische bijstand (ziekenhuis, arts, tandarts)
  8. Medische bijstand (ziekenhuis, arts, tandarts)
  9. in hetVerenigd Koninkrijk,de behandelende medische dienst (arts, tandarts, ziekenhuis);
  10. inDenemarken,voor medische bijstand van een arts of tandarts kunt u een huisarts of tandarts van de openbare gezondheidsdienst contacteren,
  11. huisarts, tandarts en apotheker kan worden ingeroepen zonder voorafgaand contact met Agis Zorgverzekeringen;
  12. Medische bijstand (ziekenhuis, arts, tandarts) kan worden gevraagd zonder dat eerst het orgaan moet worden gecontacteerd;
  13. inMalta, het onderdeel van de National Health Service establishment (arts, tandarts, ziekenhuis, gezondheidscentrum) dat de behandeling verricht;
  14. bezorgdheid omtrent specifieke schadelijke effecten op de tandzenuw en de tand door de blootstelling ten gevolge van het bleken van tanden met 35 % waterstofperoxide door een tandarts.
  15. „gezondheidswerker”: een arts, verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger (verpleegkundige), beoefenaar der tandheelkunde (tandarts), verloskundige of apotheker in de zin van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties [7] of een andere beroepsbeoefenaar die werkzaamheden in de gezondheidszorg verricht die behoren tot een gereglementeerd beroep, als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, onder a), van Richtlijn 2005/36/EG;