Betekenis van:
koningshuis

koningshuis (het ~ | meervoud koningshuizen)
Zelfstandig naamwoord
  • geslacht v.e. vorst; regerende familie; directe familieleden v.d. koning(in)
"de leden van het koningshuis"
"het [Engelse] koningshuis"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. bossen en andere beboste gronden die aan het Koningshuis toebehoren;