Betekenis van:
stuur
stuur (het ~ | meervoud sturen)
Zelfstandig naamwoord
- inrichting waarmee men een voertuig stuurt
"de macht over het stuur verliezen"
"achter het stuur (zitten)"
Hyperoniemen
stuur
Zelfstandig naamwoord
- een hulpmiddel waarmee een bestuurder richting kan geven aan een voertuig
"De politie vond bloedsporen op het stuur van de auto."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Stuur het naar me op.
- Stuur me alsjeblieft een kaartje zodra je aankomt.
- Zodra ik het heb, stuur ik het naar je door.
- De politie arresteerde hem wegens dronkenschap achter het stuur.
- Hij viel in slaap achter het stuur en had een ongeval.
- Vorige week heb ik u een brief gestuurd en vandaag stuur ik u er nog één.
- Voetbediend stuur
- Kant van het stuur:
- Stuur de risicobeoor deling door
- Kant van het stuur: rechts/links: …
- Kant van het stuur: rechts/links
- Stuur de desbetreffende ondersteunende documenten mee.
- Kant van het stuur: rechts/links
- Documenteer uw risicobeoordeling en stuur ze door.
- Kant van het stuur: rechts/links.