Betekenis van:
egaal
egaal
Bijvoeglijk naamwoord
- effen.
"Het kleedje was egaal rood."
egaal
Bijvoeglijk naamwoord
- gelijkmatig.
"De lucht was egaal helder."
egaal
Bijvoeglijk naamwoord
- onverschillig.
"'t Is mij egaal."
Voorbeeldzinnen
- Een eventuele automatische niveauregeling wordt, met het voertuig op een egaal horizontaal vlak, op het door de fabrikant aangegeven niveau afgesteld.