Betekenis van:
elf
elf (de ~ | meervoud elfen)
Zelfstandig naamwoord
- figuur in sagen en sprookjes
"de elfjes dansten in het maanlicht"
"een elfje zijn"
Hyperoniemen
Hyponiemen
elf
Zelfstandig naamwoord
- een mythologisch wezen dat meestal over bovennatuurlijke krachten beschikt
elf
Zelfstandig naamwoord
- een mythologisch wezen dat meestal over bovennatuurlijke krachten beschikt
elf
Telwoord
- geheel getal groter dan tien en kleiner dan twaalf: in Arabische cijfers 11, in Romeinse cijfers XI
"De aanslagen van elf september 2001."
elf
Telwoord
- geheel getal groter dan tien en kleiner dan twaalf: in Arabische cijfers 11, in Romeinse cijfers XI
"De aanslagen van elf september 2001."
Voorbeeldzinnen
- Het is al elf uur.
- Het is tien voor half elf.
- "Hoe laat is het?" "Het is half elf."
- Wees precies om elf uur bij het treinstation.
- De twaalf dieren van de Chinese dierenriem komen van elf diersoorten die in de natuur voorkomen, met name de rat, os, tijger, konijn, slang, paard, aap, haan, hond en varken, en ook de legendarische draak; ze worden als kalender gebruikt.
- Elf Aquitaine SA („Elf Aquitaine”)
- Uiteindelijk werden elf communautaire producenten in de steekproef geselecteerd.
- MBIA heeft elf van deze vijftien cdo’s verzekerd.
- De Commissie heeft vragenlijsten naar deze elf ondernemingen gestuurd.
- Zeven van deze elf producenten werkten aan het onderzoek mee.
- elf producenten namens wie de klacht werd ingediend,
- Daarnaast heeft de Commissie van elf belanghebbenden opmerkingen ontvangen.
- Naast de elf dimensies die de reekscode definiëren, is ook een stel eigenschappen gedefinieerd [5].
- Voor de OFI-statistieken zijn elf dimensies gespecificeerd die essentieel zijn om de tijdreeksen te identificeren.
- In het OT werd het soortgelijke product in de Unie door elf producenten vervaardigd.