Betekenis van:
bies
bies (de ~ | meervoud biezen)
Zelfstandig naamwoord
- de dunne plantenstengels van dit oevergewas
"zijn biezen pakken"
"knopen in biezen zoeken"
Hyperoniemen
bies
Zelfstandig naamwoord
- een smal boordsel op een kledingstuk
bies
Zelfstandig naamwoord
- een dun en hooggroeiend oevergewas uit de familie van de Cyperaceeën
bies
Zelfstandig naamwoord
- een steel van de bies
bies
Zelfstandig naamwoord
- een smalle en rechte versieringslijn
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Plantaardige stoffen van de soort hoofdzakelijk gebruikt in de mandenmakerij of voor vlechtwerk (bijvoorbeeld bamboe, rotting, riet, bies, teen, raffia, lindebast, alsmede gezuiverd, gebleekt of geverfd stro van graangewassen)
- Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden aangemerkt als „vlechtstoffen”: materialen in een zodanige toestand of vorm, dat zij geschikt zijn om te worden gevlochten, ineengestrengeld of volgens een soortgelijk procedé te worden behandeld. Daaronder worden onder meer begrepen: stro, teen, wilgenrijs, bamboe, rotting, bies, riet, houtrepen, stroken van ander plantaardig materiaal (bijvoorbeeld stroken van bast, smalle bladeren en raffia of andere stroken verkregen van brede bladeren), niet-gesponnen natuurlijke textielvezels, monofilament, alsmede strippen en dergelijke vormen, van kunststof, strippen van papier. Hieronder vallen echter niet: leder of kunstleder in repen, vilt of gebonden textielvlies in stroken, mensenhaar, paardenhaar, voorgesponnen of gesponnen textielmateriaal (lonten, garens, enz.), monofilament, alsmede strippen en dergelijke vormen, bedoeld bij hoofdstuk 54.