Betekenis van:
ga
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ik ga.
- Ga slapen.
- Ik ga buiten spelen. Ga je mee?
- Ga niet zonder hoed.
- Ga Mary wakker maken.
- Ga verder zonder mij.
- Ga naar school.
- Regen, regen, ga weg!
- Ik ga Duits studeren.
- Ik ga douchen.
- Ga je dan niet?
- Ga voor hulp.
- Ga hulp vragen.
- Ga terug naar huis.
- Ik ga naar Hokkaido.