Betekenis van:
haag

haag
Zelfstandig naamwoord
  • een afscheiding bestaande uit kreupelhout of struikgewas
haag
Zelfstandig naamwoord
  • op een rij naast elkaar geplaatste personen of zaken

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. 2517 DEN HAAG
  2. Europol is gevestigd in Den Haag, Nederland.
  3. Gedaan te Den Haag, 9 april 2009.
  4. Gedaan te Den Haag, 18 juli 2007.
  5. Postbus 20201, 2500 EE DEN HAAG
  6. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Den Haag.”.
  7. Overige informatie: a) voormalig president van Liberia, b) wordt momenteel berecht in Den Haag.”
  8. de heer Henk KOOL, wethouder te Den Haag, ter vervanging van de heer Pieter VAN WOENSEL;
  9. Studiebijeenkomst: De studiebijeenkomst vindt plaats in Den Haag of een belangstellende staat die partij is.
  10. de Overeenkomst tussen Roemenië en het Koninkrijk Spanje — in aanvulling op het Verdrag van Den Haag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Den Haag, 1 maart 1954), ondertekend te Boekarest op 17 november 1997,
  11. Wetenschappelijke adviesraad: In het najaar van 2009 zal in Den Haag een tweede zitting van de wetenschappelijke adviesraad plaatsvinden.
  12. Eenmaal per jaar kan de vergadering plaatsvinden in Brussel, ten kantore van de Raad of ten kantore van Eurojust in Den Haag.
  13. Deelname van de nationale autoriteiten en douaneautoriteiten aan één of meer technische vergaderingen in Den Haag of elders over de CWC-bepalingen inzake overdracht
  14. De toenmalige lidstaten van de Gemeenschap hebben het verdrag op 1 april 2003 in Den Haag ondertekend, behalve Nederland, dat het verdrag al eerder had ondertekend.
  15. De heer Pieter Theodoor VAN WOENSEL, Wethouder van Den Haag, wordt benoemd tot lid in het Comité van de Regio’s ter vervanging van de heer G.A.A.