Betekenis van:
voor
voor
Voegwoord
- onderschikkend: voordat, aleer, eerder in tijd dan
"Voor hij het doorhad, ging het al mis."
voor
Voorzetsel
- eerder in volgorde
"De koningin kwam vóór de andere gasten binnen."
voor
Voorzetsel
- lijkend op, beschouwd als
"De overvallers lieten het slachtoffer voor dood liggen."
voor
Voorzetsel
- in plaats van, ter vervanging van
"Voor jou tien anderen! schreeuwde de ontevreden werkgever."
voor
Voorzetsel
- tegen de prijs van, ten bedrage van, tegen
"Bij ons krijgt u twee bossen rozen voor 10 euro."
voor
Voorzetsel
- wat betreft, met betrekking tot, aangaande
"Hij is bang voor muizen."
voor
Voorzetsel
- eens met, positief tegenover, ten gunste van, pro
"Het raadslid stemde vóór het voorstel."
voor
Voorzetsel
- ten behoeve van, ten gunste van (''datief'')
"Hij geeft cursussen voor beginners en gevorderden."
voor
Voorzetsel
- eerder in rangorde
"Toen stond PSV vóór Ajax en Feyenoord in de eredivisie."
voor
Voorzetsel
- eerder in tijd
"We moeten boodschappen doen voor sluitingstijd."
voor
Voorzetsel
- eerder komend in de bewegingsrichting
"Je moet voor de kerk linksaf slaan."
voor
Voorzetsel
- aan de voorkant
"Bob hangt iedere avond uren voor de televisie."
voor
Voorzetsel
- dichterbij dan (gezien vanaf de spreker of anderszins)
"Er hangen wolken voor de zon."
voor (het ~ | meervoud voors)
Zelfstandig naamwoord
- voordeel
"hij besprak het voor en tegen van het idee"
Hyperoniemen
Hyponiemen
voor
Zelfstandig naamwoord
- een met een ploeg gemaakte greppel in de aarde
"Hij zaaide graan in de voren."
voor
Bijwoord
- aan de voorkant
"In de auto zit ik altijd vóór."
voor
Bijwoord
- :ervoor: ''Hij gaat '''er''' morgen de bak voor in.''
voor
Bijwoord
- :voorkomen: ''Deze zaak '''komt''' volgende week '''vóór'''''.
voor
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- "Voor hoeveel personen?" "Voor drie."
- Eén voor allen, allen voor één.
- Wees aardig voor anderen.
- Zorg goed voor jezelf.
- Bedankt voor de uitleg.
- Bedankt voor de uitnodiging.
- Hij vertolkte voor mij.
- Ze vochten voor godsdienstvrijheid.
- Ze vechten voor vrijheid.
- Ga voor hulp.
- Wees aardig voor anderen.
- Ze kookt voor hem.
- Bedankt voor het bellen.
- De klok loopt voor.
- Ik werk voor jullie.