Betekenis van:
juwelen

juweel (het ~ | meervoud juwelen)
Zelfstandig naamwoord
  • edelsteen als sieraad
"een ring met juwelen"

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Je hebt een hoop juwelen gekocht.
  2. Een dief heeft ingebroken en is aan de haal gegaan met al mijn juwelen.
  3. Edelstenen voor juwelen
  4. Juwelen, horloges en aanverwante artikelen
  5. Edelstenen, edele metalen en hiermee vervaardigde juwelen
  6. Juwelen, zilverwerk, klokken, horloges en accessoires
  7. gegraveerde of geslepen delen van juwelen.
  8. III. BIJOUTERIEËN, JUWELEN, EDELSMIDSWERK EN ANDERE WERKEN
  9. III. BIJOUTERIEËN, JUWELEN, EDELSMIDSWERK EN ANDERE WERKEN
  10. gegraveerde of geslepen delen van juwelen.
  11. Bijouterieën/juwelen, delen daarvan, edele metalen (incl. bekleed/geplateerd)
  12. NACE 36.22: Bewerken van edelstenen en vervaardiging van juwelen en dergelijke artikelen, n.e.g.
  13. Als „bijouterieën en juwelen” in de zin van post 7113 worden aangemerkt:
  14. Bijouterieën en juwelen, alsmede delen daarvan, van edele metalen of van metalen geplateerd met edele metalen
  15. Bewerken van edelstenen en vervaardiging van juwelen en dergelijke artikelen, n.e.g.