Betekenis van:
kajuit

kajuit
Zelfstandig naamwoord
  • een gemeenschappelijke verblijfplaats op schepen
"De kajuit was voorzien van een kachel voor de koudere tijden."

Voorbeeldzinnen

  1. bronnen van alomverlichting van de kajuit;
  2. berging van bagage in de kajuit,
  3. het stouwen van voorwerpen in de kajuit;
  4. het stouwen van voorwerpen in de kajuit;
  5. in die ruimten van de kajuit waar zuurstof wordt verstrekt.
  6. Eisen met betrekking tot veiligheid in de kajuit.
  7. vliegen zonder druk in de kajuit of met verminderde kajuitdruk;
  8. vliegen zonder druk in de kajuit of met verminderde kajuitdruk;
  9. in die ruimten van de kajuit waar zuurstof wordt verstrekt.
  10. Eisen met betrekking tot veiligheid in de kajuit.
  11. andere in de kajuit aanwezige veiligheidsuitrusting of -systemen, voor zover van toepassing.
  12. de bij het optreden van turbulentie te nemen maatregelen, inclusief het beveiligen van de kajuit;
  13. voorbereiding van de kajuit voor de vlucht, de vereisten tijdens de vlucht en de voorbereiding voor de landing, met inbegrip van procedures voor het beveiligen van de kajuit en boordkeukens;
  14. voorbereiding van de kajuit voor de vlucht, de vereisten tijdens de vlucht en de voorbereiding voor de landing, met inbegrip van procedures voor het beveiligen van de kajuit en boordkeukens;
  15. „hutbagage” is de bagage die zich in de kajuit van de passagier bevindt, die in zijn bezit is of die hij onder zijn hoede of toezicht heeft.