Betekenis van:
kaviaar

kaviaar (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • viskuit als lekkernij
"champagne en kaviaar"
"het kan niet altijd kaviaar zijn"

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Ik at kaviaar.
  2. Kaviaar
  3. Kaviaar
  4. Uitsluitend invoer van kaviaar.
  5. Kaviaar en kaviaarsurrogaten
  6. Kaviaar en visseneieren
  7. CPA 10.20.26: Kaviaar en kaviaarsurrogaten
  8. Omvat vis en kaviaar in blik.
  9. Kaviaar en kaviaarsurrogaten bereid uit kuit
  10. Complete dode of leeggeblazen eieren (zie ook „kaviaar”)
  11. kaviaar en kaviaarsurrogaten bereid uit kuit (post 1604).
  12. kaviaar en kaviaarsurrogaten bereid uit kuit (post 1604).
  13. kaviaar en kaviaarsurrogaten bereid uit kuit (post 1604).
  14. recipiënten die kaviaar van Acipenseriformes spp. bevatten, met inbegrip van blikken, potjes of dozen waarin kaviaar rechtstreeks is verpakt.
  15. kaviaar van steursoorten (Acipenseriformes spp.) ten belope van een maximumhoeveelheid van 250 g per persoon;