Betekenis van:
met

met
Zelfstandig naamwoord
  • ''arch.'' stukjes die overblijven bij het snijden van grotere stukken vlees.
met
Voorzetsel
  • ''Het wordt er'' met de tijd ''niet beter op.''
met
Voorzetsel
  • Met dit mes ''werd de moord gepleegd''
met
Voorzetsel
  • gebruik makend van, door middel van, met behulp van
met
Voorzetsel
  • ''We zijn'' met mijn verjaardag ''naar de Keukenhof geweest.''
met
Voorzetsel
  • ter gelegenheid van
met
Voorzetsel
  • Met de schoolvakantie ''is het rustig in de stad.''
met
Voorzetsel
  • gelijktijdig met, tijdens
met
Voorzetsel
  • Met Karels vertrek ''raken we een waardevolle collega kwijt.''
met
Voorzetsel
  • na, als gevolg van
met
Voorzetsel
  • en daarbij
met
Voorzetsel
  • ''Hij bekeek de pentekening'' met interesse.
met
Voorzetsel
  • als gevoel hebbende
met
Voorzetsel
  • ''Morgen zal ik er'' met m'n manager ''over spreken.''
met
Voorzetsel
  • als partner hebbende
met
Voorzetsel
  • ''Ik ga'' met hem ''mee.''
met
Voorzetsel
  • in gezelschap van
met
Voorzetsel
  • '' 's Ochtends eten we brood'' met beleg.
met
Voorzetsel
  • ''Ik reis morgen'' met de trein ''naar Purmerend.''

Voorbeeldzinnen

  1. God zij met ons.
  2. God zij met ons.
  3. Kinderen spelen met speelgoed.
  4. Laat me met rust!
  5. Niemand praat met me.
  6. Dood het met vuur!
  7. Laat me met rust.
  8. Vrede zij met u!
  9. Ik sprak met haar.
  10. Gefeliciteerd met je verjaardag!
  11. Kinderen spelen met blokken.
  12. Alles met mate.
  13. Ik speel met hem.
  14. Ga door met werken!
  15. Succes met je examen!