Betekenis van:
beneden

beneden
Bijwoord
  • op een plek die lager is
"Zij wonen beneden."
beneden
Bijwoord
  • op een plek die lager is
"Beneden het huis is een grote kelder."
beneden
Voorzetsel
  • op een plek die lager is
"Beneden het huis is een grote kelder."

Voorbeeldzinnen

  1. Laat ons naar beneden gaan.
  2. We hoorden hem naar beneden komen.
  3. Hij klom uit de boom naar beneden.
  4. Ik ging naar beneden met de lift.
  5. Wie woont in de kamer beneden?
  6. Alles wat vliegt, valt vroeg of laat naar beneden.
  7. Het is beneden haar waardigheid om zoiets te zeggen.
  8. Als je van de trap afvalt, ben je gauw beneden.
  9. Een waterval van zweet stroomde naar beneden over mijn gezicht.
  10. Er is geen binnenweg naar boven, alleen naar beneden.
  11. Ze viel naar beneden en brak haar linkerbeen.
  12. Laat rechtvaardigheid geschieden, ook al valt de hemel naar beneden
  13. Ruimten beneden
  14. (naar beneden) (6a)
  15. Ruimte beneden ↓ Ruimte boven→