Betekenis van:
zeeschip

zeeschip
Zelfstandig naamwoord
  • een zeewaardig schip gebouwd om de zee te kunnen trotseren

Voorbeeldzinnen

  1. Motorvoertuig op zeeschip
  2. Binnenschip op zeeschip
  3. Wagon op zeeschip
  4. „vaartuig”: elk binnenschip of zeeschip.
  5. Aanhangwagen of oplegger op zeeschip
  6. „schip” zeeschip of -vaartuig; e) „SafeSeaNet”
  7. „passagiersschip”: een zeeschip dat meer dan twaalf passagiers vervoert;
  8. eventueel de mogelijkheden voor vervoer per binnenschip, zeeschip of trein.
  9. „roroschip”: een zeeschip met voorzieningen voor het op- en afrijden van weg- of railvoertuigen;
  10. Artikel 115, lid 4, van de programmawet definieert de beheerder van een zeeschip voor rekening van derden als „belastingplichtige [die instaat voor] het technisch beheer en/of het bemannen van een zeeschip voor rekening van derden”.
  11. Iedere officier belast met de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van 500 of meer, is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
  12. Ieder die een vaarbevoegdheidsbewijs wenst te verkrijgen als kapitein op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500, dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, moet:
  13. „scheepseigenaar”: de geregistreerde eigenaar van een zeeschip of enige andere persoon, zoals de rompbevrachter, die verantwoordelijk is voor het exploiteren van het schip;
  14. Iedere hoofdwerktuigkundige en tweede werktuigkundige op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3000 kW voortstuwingsvermogen of meer is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
  15. Iedere hoofdwerktuigkundige en tweede werktuigkundige op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van tussen 750 en 3000 kW voortstuwingsvermogen, is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.