Betekenis van:
zeeschip
zeeschip
Zelfstandig naamwoord
- een zeewaardig schip gebouwd om de zee te kunnen trotseren
Voorbeeldzinnen
- Motorvoertuig op zeeschip
- Binnenschip op zeeschip
- Wagon op zeeschip
- „vaartuig”: elk binnenschip of zeeschip.
- Aanhangwagen of oplegger op zeeschip
- „schip” zeeschip of -vaartuig; e) „SafeSeaNet”
- „passagiersschip”: een zeeschip dat meer dan twaalf passagiers vervoert;
- eventueel de mogelijkheden voor vervoer per binnenschip, zeeschip of trein.
- „roroschip”: een zeeschip met voorzieningen voor het op- en afrijden van weg- of railvoertuigen;
- Artikel 115, lid 4, van de programmawet definieert de beheerder van een zeeschip voor rekening van derden als „belastingplichtige [die instaat voor] het technisch beheer en/of het bemannen van een zeeschip voor rekening van derden”.
- Iedere officier belast met de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van 500 of meer, is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
- Ieder die een vaarbevoegdheidsbewijs wenst te verkrijgen als kapitein op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500, dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, moet:
- „scheepseigenaar”: de geregistreerde eigenaar van een zeeschip of enige andere persoon, zoals de rompbevrachter, die verantwoordelijk is voor het exploiteren van het schip;
- Iedere hoofdwerktuigkundige en tweede werktuigkundige op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van 3000 kW voortstuwingsvermogen of meer is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.
- Iedere hoofdwerktuigkundige en tweede werktuigkundige op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie van tussen 750 en 3000 kW voortstuwingsvermogen, is in het bezit van een passend vaarbevoegdheidsbewijs.