Betekenis van:
noch

noch
Voegwoord
  • ''dit is '''noch''' vlees '''noch''' vis''

Voorbeeldzinnen

  1. Noch het ene, noch het andere.
  2. Ik rook noch drink.
  3. Hij schreef noch telefoneerde.
  4. Hij rookt noch drinkt.
  5. Noch roekeloos, noch vreesachtig
  6. Tom heeft geen broers, noch zussen.
  7. Dus heb ik noch vrienden, noch vijanden?
  8. Deze vogel leeft in Japan noch in China.
  9. Noch macht, noch rijkdom, maar slechts het gezag van de wetenschap blijft bestaan
  10. Je moet de laatste dag niet vrezen noch wensen
  11. Noch betaamt het (de dokter) het temperament van de zieke man te negeren
  12. Andorra (noch Spanje, noch Frankrijk)
  13. noch geconsolideerd, noch afgetrokken zijn;
  14. schip met noch laag, noch hoog risico
  15. Het schoeisel is noch waterbestendig noch waterdicht.