Betekenis van:
apotheker
apotheker (de ~ | meervoud apothekers)
Zelfstandig naamwoord
- iemand die bevoegd is geneesmiddelen te bereiden en te verkopen
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
apotheker
Zelfstandig naamwoord
- iemand die beroepsmatig geneesmiddelen bereidt en verkoopt
Voorbeeldzinnen
- APOTHEKER”:
- APOTHEKER
- Opleiding tot apotheker
- Uitoefening van de werkzaamheden van apotheker
- voldoende kennis van de wettelijke en andere vereisten voor de uitoefening van de werkzaamheden van apotheker.
- Ingeval van bijwerkingen die hierboven niet zijn genoemd, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.
- De opleidingstitel van apotheker vormt de afsluiting van een opleiding van ten minste vijf jaar waarvan:
- huisarts, tandarts en apotheker kan worden ingeroepen zonder voorafgaand contact met Agis Zorgverzekeringen;
- Ingeval van bijwerkingen die hierboven niet zijn genoemd, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.
- Als tekenen van een huidinfectie worden waargenomen, raadpleeg dan een arts of apotheker.
- Indien de symptomen tijdens het gebruik van het geneesmiddel aanhouden, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.
- Indien de symptomen tijdens het gebruik van het geneesmiddel aanhouden, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.
- en ten minste de volgende personeelsleden: huisarts, urgentieartsen, orthopeed, kinderarts, anesthesist, apotheker, verloskundige, medisch directeur, laborant, radiologisch laborant.
- Indien de symptomen tijdens het gebruik van het geneesmiddel langer dan twee weken aanhouden, raadpleeg dan een arts of apotheker.
- Indien de symptomen tijdens het gebruik van het geneesmiddel verergeren, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.