Betekenis van:
paus

paus (de ~ | meervoud pausen)
Zelfstandig naamwoord
  • hoofd v.d. rooms-katholieke kerk
"de paus riep in zijn traditionele paasboodschap op tot verdraagzaamheid"
"roomser dan de paus zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

paus
Zelfstandig naamwoord
  • hoofd van de Rooms-Katholieke kerk en bisschop van Rome

Voorbeeldzinnen

  1. Wie zwijgt, lijkt het er mee eens te zijn" (Paus Bonifatius VIII), "Wie zwijgt, stemt toe