Betekenis van:
Frans

Frans
Bijvoeglijk naamwoord
  • van Frankrijk
"de Franse lelie"
"een Franse croissant"
Frans
Bijvoeglijk naamwoord
  • van of uit het Frans
"Franse taal- en letterkunde"
Frans (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • Franse taal
"daar is geen woord Frans bij"
"Frans spreken"

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Hij kan Frans spreken.
  2. Frans is zijn moedertaal.
  3. Is dit Frans?
  4. Frans is haar moedertaal.
  5. Hij spreekt ook Frans.
  6. Hij spreekt vloeiend Frans.
  7. Het stokbrood is Frans.
  8. Frans is haar moedertaal.
  9. Hij kan helemaal geen Frans.
  10. Ik wil graag Frans leren.
  11. Ben je Amerikaans of Frans?
  12. Leert Tom Frans op school?
  13. Frans spreekt men in Frankrijk.
  14. Hij spreekt Engels en Frans.
  15. Ik spreek helemaal geen Frans.