Betekenis van:
Nederlander

Nederlander (de ~ | meervoud Nederlanders)
Zelfstandig naamwoord
  • inwoner Nederland
"Een meerderheid (55 procent) van de Nederlanders die in het buitenland wonen ..."

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Guus Hiddink is een Nederlander.
  2. Een Engelsman, een Belg en een Nederlander gaan een café binnen en nemen plaats aan de toog. Zegt de barkeeper: "Wacht even, is dit een mop of zo?"
  3. Wat een plompe geest! Ik vermoed dat het een Nederlander was