Betekenis van:
Nederlands

Nederlands
Bijvoeglijk naamwoord
  • van Nederland
"de Nederlandse staat"
"het Nederlands Waddengebied"
Nederlands
Bijvoeglijk naamwoord
  • van of uit de Nederlandse taal
"(geen) goed Nederlands"
"Nederlandse taal- en letterkunde"
Nederlands (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • Nederlandse taal; Hollands dialect

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Spreek je Nederlands?
  2. Nederlands leren is niet moeilijk.
  3. Mijn ouders spreken geen Nederlands.
  4. Nederlands is nauw verwant aan Duits.
  5. Hoe zeg je XXX in het Nederlands?
  6. Het Nederlands is een Nederfrankische taal.
  7. Hoe zeg je XXX in het Nederlands?
  8. Jouw Nederlands is goed
  9. Mijn Nederlands is slecht
  10. Ik ben gelukkig, want ik leer wat Nederlands.
  11. Ik begrijp het Nederlands niet. Het is moeilijk.
  12. Ik hoop dat ik snel veel meer dan een paar zinnen ken in het Nederlands.
  13. Ik was erg onder de indruk van jouw vertaling van Engelse zinnen in het Nederlands.
  14. Het Zuid-Gelders is een dialect van het Nederlands die in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen gesproken werd.
  15. Nederlands