Betekenis van:
aan

aan
Bijvoeglijk naamwoord
  • actief, in bedrijf
"De kachel is aan."
aan
Voorzetsel
  • verbonden met, tegen, tegenaan
"Het schilderij hangt aan de muur."
aan
Voorzetsel
  • de ontvangende persoon (datief)
"Ik geef die rozen aan Sandra."
aan
Voorzetsel
  • op een bepaalde plaats
"'aan' boord: op het schip."
aan
Voorzetsel
  • bestaande uit
"Hij bezit een fortuin aan aandelen."
aan
Voorzetsel
  • verdeeld in
"De spiegel viel aan diggelen."
aan
Bijwoord
  • aanzetten: ''jij '''zet''' de motor aan''.

Voorbeeldzinnen

  1. Hij paste zich aan de omstandigheden aan.
  2. Hij zit aan tafel.
  3. Duitsland grenst aan Nederland.
  4. De zonsopgang breekt aan.
  5. Trek je pyjama aan.
  6. Duitsland grenst aan Frankrijk.
  7. Waar denk je aan?
  8. Doe de radio aan.
  9. Ik dacht aan jou.
  10. Ze zitten aan tafel.
  11. Ze stierf aan maagkanker.
  12. Er klopt iemand aan.
  13. Ze stierf aan kanker.
  14. Ze trok sokken aan.
  15. Zet het alsjeblieft aan.