Betekenis van:
afstandsbediening

afstandsbediening
Zelfstandig naamwoord
  • een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
"De batterij van de afstandsbediening was weer eens leeg."
afstandsbediening (de ~ | meervoud afstandsbedieningen)
Zelfstandig naamwoord
  • apparaat om op afstand mee te bedienen
"een universele afstandsbediening"

Hyperoniemen

afstandsbediening (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het op afstand regelbaar zijn
"een brug op afstandsbediening"

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Er ligt een afstandsbediening voor de tv onder de bank.
  2. Afstandsbediening
  3. een afstandsbediening.
  4. Sirenetoestellen met afstandsbediening
  5. Afstandsbediening van portieren of waarschuwingstoestellen zijn defect.
  6. Afstandsbediening van voortstuwingswerktuigen vanaf de brug (V 49)
  7. De eenheid heeft stereo-, hoofd- en oortelefoonaansluitingen en een afstandsbediening.
  8. Apparaten voor de bewaking van industriële processen en voor afstandsbediening
  9. Afstandsbediening van portieren of waarschuwings-toestellen zijn defect.
  10. In afwijking daarvan is een afstandsbediening toegestaan op voorwaarde dat
  11. de bedieningsafstand tussen de afstandsbediening en het voertuig mag hoogstens 11 m bedragen indien het systeem een rechtstreekse visuele lijn tussen de afstandsbediening en het voertuig vereist.
  12. Bij boegschroefinstallaties verwijst „afstandsbediening” alleen naar de bediening op afstand vanaf de stuurstelling in het stuurhuis.
  13. Dit kan worden getest door een ondoorzichtig oppervlak tussen de afstandsbediening en het voertuig te plaatsen.
  14. de bedieningsafstand tussen de afstandsbediening en het voertuig mag hoogstens 6 m bedragen;
  15. De bedieningsorganen en indicatoren voor de afstandsbediening moeten blijvend en duidelijk worden geïdentificeerd.