Betekenis van:
ambtelijk

ambtelijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • van een ambt of ambtenaar
"een ambtelijk bevel"
"veel kamerleden hadden een ambtelijke loopbaan voor ze in de politiek verzeild raakten"
ambtelijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • met overdreven veel regels en procedures
"Om dit voorstel goedgekeurd te krijgen moet het eerst door de hele ambtelijke molen."
ambtelijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • uit hoofde van een bepaald ambt
"Volgens het laatste ambtelijke besluit mag hier niet worden gerookt."
ambtelijk
Bijvoeglijk naamwoord
  • uit kracht van een ambt

Voorbeeldzinnen

  1. Ervoor zorgen dat de omzetting van internemarktrichtlijnen op ambtelijk en politiek niveau permanent wordt gecontroleerd en gecoördineerd
  2. Wanneer de termijn is verstreken, wordt onmiddellijk op ambtelijk en ministerieel niveau een waarschuwing verzonden en wordt het nationale parlement ingelicht.
  3. Ongeacht de rang welke hij in het ambtelijk bestel bekleedt, is iedere tijdelijke functionaris verplicht zijn meerderen bij te staan en van raad te dienen; hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken welke hem zijn toevertrouwd.
  4. Zij zorgt ervoor dat de voortgang van de omzetting geregeld (bijvoorbeeld een keer per maand) op hoog ambtelijk niveau met de ministeries wordt besproken en rapporteert geregeld (bijvoorbeeld een keer per maand) aan de minister of staatssecretaris die op de omzetting moet toezien.
  5. Met name dienen de voorlopige instellingen voor zelfbestuur verdere vooruitgang te boeken op het gebied van bescherming van minderheden, volledige eerbiediging van de rechtsstaat, een transparant ambtelijk apparaat zonder politieke inmenging, een klimaat dat terugkeer in de hand werkt en de bescherming van plaatsen van cultureel of religieus belang.