Betekenis van:
apotheker

apotheker (de ~ | meervoud apothekers)
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die bevoegd is geneesmiddelen te bereiden en te verkopen

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

apotheker
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die beroepsmatig geneesmiddelen bereidt en verkoopt

Voorbeeldzinnen

  1. APOTHEKER”:
  2. APOTHEKER
  3. Opleiding tot apotheker
  4. Uitoefening van de werkzaamheden van apotheker
  5. voldoende kennis van de wettelijke en andere vereisten voor de uitoefening van de werkzaamheden van apotheker.
  6. Ingeval van bijwerkingen die hierboven niet zijn genoemd, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.
  7. De opleidingstitel van apotheker vormt de afsluiting van een opleiding van ten minste vijf jaar waarvan:
  8. huisarts, tandarts en apotheker kan worden ingeroepen zonder voorafgaand contact met Agis Zorgverzekeringen;
  9. Ingeval van bijwerkingen die hierboven niet zijn genoemd, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.
  10. Als tekenen van een huidinfectie worden waargenomen, raadpleeg dan een arts of apotheker.
  11. Indien de symptomen tijdens het gebruik van het geneesmiddel aanhouden, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.
  12. Indien de symptomen tijdens het gebruik van het geneesmiddel aanhouden, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.
  13. en ten minste de volgende personeelsleden: huisarts, urgentieartsen, orthopeed, kinderarts, anesthesist, apotheker, verloskundige, medisch directeur, laborant, radiologisch laborant.
  14. Indien de symptomen tijdens het gebruik van het geneesmiddel langer dan twee weken aanhouden, raadpleeg dan een arts of apotheker.
  15. Indien de symptomen tijdens het gebruik van het geneesmiddel verergeren, moet een arts of apotheker worden geraadpleegd.