Betekenis van:
beginsnelheid

beginsnelheid
Zelfstandig naamwoord
  • de snelheid die een voorwerp aanvankelijk bezit

Voorbeeldzinnen

  1. De trekker (die is voorbereid zoals beschreven in punt 3.1.2) wordt zijdelings opgetild met beginsnelheid nul.
  2. Tijd om de beginsnelheid van de proef te bereiken: 10 minuten
  3. tijd om van snelheid 0 de beginsnelheid van de proef te bereiken: 10 minuten;
  4. De in de punten 7 en 8 beschreven tests worden uitgevoerd met een beginsnelheid van 100 ± 2 km/h.
  5. Voor het stopmanoeuvre moet in de eerste plaats de beginsnelheid ten opzichte van het water bepaald worden.
  6. De gegevens betreffende het toerental hoeven niet te worden vermeld in het verslag, maar moeten genoteerd worden om de beginsnelheid nauwkeuriger te kunnen controleren.
  7. een representatieve rolstoeltesttrolley met een massa van 85 kg wordt onderworpen aan een vertraging per tijdseenheid, vanaf een beginsnelheid tussen 48 en 50 km/h tot stilstand,
  8. Als de werkelijke waarden (actual values) van de beginsnelheid en de stroomsnelheid tijdens de proef niet voldoen aan de voorwaarden van punt 2.1, moeten de behaalde resultaten beoordeeld worden overeenkomstig de procedure in aanhangsel 2.
  9. De prestaties van een reminrichting worden bepaald door meting van de remafstand ten opzichte van de beginsnelheid van het voertuig en/of door meting van de gemiddelde volle vertraging tijdens de test.
  10. De remafstand is de afstand die door het voertuig wordt afgelegd vanaf het tijdstip waarop de bestuurder het bedieningsorgaan van het remsysteem begint te activeren, tot het tijdstip waarop het voertuig tot stilstand komt; de beginsnelheid van het voertuig v1 is de snelheid op het ogenblik dat de bestuurder het bedieningsorgaan van het remsysteem begint te activeren; de beginsnelheid mag niet minder bedragen dan 98 % van de voor de desbetreffende test voorgeschreven snelheid.
  11. De toegestane afwijking van de beginsnelheid van 13 km/u mag niet meer dan +1 km/u bedragen en de gemeten stroomsnelheid in stromend water moet tussen 1,3 en 2,2 m/s liggen, anders dienen de proeven opnieuw uitgevoerd te worden.
  12. beginsnelheid van de proef: voor het bandtype voorgeschreven maximumsnelheid verminderd met 40 km/uur bij het gladde proefwiel met een diameter van 1,70 m ± 1 % of verminderd met 30 km/uur bij het gladde proefwiel met een diameter van 2 m ± 1 %;
  13. Schepen en samenstellen worden beschouwd tijdig kop vóór te kunnen stilhouden overeenkomstig artikel 5.07, lid 1, wanneer dit is bewezen door een stopproef ten opzichte van de grond met kop vóór met een beginsnelheid ten opzichte van het water van 13 km/u, een kielafstand gelijk aan ten minste 20 % van de diepgang, maar niet minder dan 0,50 m.
  14. De keereigenschappen van schepen en samenstellen waarvan de lengte (L) niet meer dan 86 m bedraagt en de breedte (B) niet meer dan 22,90 m worden geacht voldoende te zijn volgens artikel 5.10 in combinatie met artikel 5.02, lid 1, wanneer tijdens een opdraaimanoeuvre met een beginsnelheid ten opzichte van het water van 13 km/u voldaan wordt aan de grenswaarden van kop vóór stoppen zoals vastgelegd in administratieaanwijzing nr. 2.