Betekenis van:
beneden
beneden
Bijwoord
- op een plek die lager is
"Zij wonen beneden."
beneden
Bijwoord
- op een plek die lager is
"Beneden het huis is een grote kelder."
beneden
Voorzetsel
- op een plek die lager is
"Beneden het huis is een grote kelder."
Voorbeeldzinnen
- Laat ons naar beneden gaan.
- We hoorden hem naar beneden komen.
- Hij klom uit de boom naar beneden.
- Ik ging naar beneden met de lift.
- Wie woont in de kamer beneden?
- Alles wat vliegt, valt vroeg of laat naar beneden.
- Het is beneden haar waardigheid om zoiets te zeggen.
- Als je van de trap afvalt, ben je gauw beneden.
- Een waterval van zweet stroomde naar beneden over mijn gezicht.
- Er is geen binnenweg naar boven, alleen naar beneden.
- Ze viel naar beneden en brak haar linkerbeen.
- Laat rechtvaardigheid geschieden, ook al valt de hemel naar beneden
- Ruimten beneden
- (naar beneden) (6a)
- Ruimte beneden ↓ Ruimte boven→