Betekenis van:
biscuit

biscuit
Zelfstandig naamwoord
  • of : een koekje van het biscuitgebak
"Kun je mij twee biscuitjes aangeven?"
biscuit
Zelfstandig naamwoord
  • een droog en bros gebak
"In de bakkerij wordt enkel biscuit gemaakt."
biscuit (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • droog koekje; droog en bros gebak

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Beschuit, biscuit en ander houdbaar banketbakkerswerk
  2. Vervaardiging van beschuit en biscuit en van ander houdbaar banketbakkerswerk
  3. NACE 10.72: Vervaardiging van beschuit en biscuit en van ander houdbaar banketbakkerswerk
  4. Brood en andere bakkerijproducten (knäckebröd, beschuiten, geroosterd brood, biscuit, ontbijtkoek, wafeltjes, wafels, beschuitbollen, muffins, croissants, cakes, taarten, pasteien, quiches, pizza’s enz.)