Betekenis van:
biscuit
biscuit
Zelfstandig naamwoord
- of : een koekje van het biscuitgebak
"Kun je mij twee biscuitjes aangeven?"
biscuit
Zelfstandig naamwoord
- een droog en bros gebak
"In de bakkerij wordt enkel biscuit gemaakt."
biscuit (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- droog koekje; droog en bros gebak
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Voorbeeldzinnen
- Beschuit, biscuit en ander houdbaar banketbakkerswerk
- Vervaardiging van beschuit en biscuit en van ander houdbaar banketbakkerswerk
- NACE 10.72: Vervaardiging van beschuit en biscuit en van ander houdbaar banketbakkerswerk
- Brood en andere bakkerijproducten (knäckebröd, beschuiten, geroosterd brood, biscuit, ontbijtkoek, wafeltjes, wafels, beschuitbollen, muffins, croissants, cakes, taarten, pasteien, quiches, pizza’s enz.)