Betekenis van:
bladeren

bladeren
Werkwoord
  • vluchtig een boek, blad of webstek doorkijken
"Ze bladerde door het woordenboek."
bladeren
Zelfstandig naamwoord
  • een van de vier Duitse kleuren in het kaartspel
blad (het ~ | meervoud bladeren, bladen)
Zelfstandig naamwoord
  • meestal groen en schijfvormig orgaan aan takken en stengels van planten, dat dient om vocht uit te wasemen en koolzuur uit de lucht op te nemen
"als de blaadjes komen en gaan"
"een oude bok lust nog wel een jong/groen blaadje"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Deze twee bladeren lijken op elkaar.
  2. In de herfst worden de bladeren geel.
  3. In oktober beginnen de bladeren te vallen.
  4. In de herfst worden deze groene bladeren rood.
  5. De bladeren van de bomen worden bruin in de herfst.
  6. In de winter vliegen de droge bladeren in de lucht rond.
  7. Bladeren
  8. Bladeren
  9. Naalden/bladeren
  10. Bladeren/naalden
  11. Afvallen van groene bladeren:
  12. bladeren en stengels,
  13. Ontvouwen van de bladeren
  14. Bladeren van de biet
  15. zwarte aanslag op bladeren