Betekenis van:
cariës

cariës (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • aantasting v.h. tandglazuur; aantasting v.d. tanden
"cariës voorkomen"
"cariës hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

cariës
Zelfstandig naamwoord
  • aantasting van tandglazuur en het tandbeen door bacteriën

Voorbeeldzinnen

  1. Een hoge mate van tandplak is een risicofactor in de ontwikkeling van cariës bij kinderen
  2. De door de aanvrager voorgestelde claim luidde als volgt: „Xylitolkauwgum/-pastilles verlaagt het risico van cariës”.