Betekenis van:
dank

dank
Zelfstandig naamwoord
  • een goede gezindheid jegens iemand voor bewezen diensten
"Hij bewees zijn dank met een bos bloemen."
dank (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • erkentelijkheid; dat waarmee je bedankt; dankbaarheid
"tegen wil en dank"
"dank voor [je medewerking]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik dank u.
  2. Dank je wel!
  3. Nee, dank u.
  4. Dank u, meneer.
  5. Nee, dank u.
  6. Dank je wel!
  7. Bij voorbaat dank.
  8. Dank u wel, dokter.
  9. Dank u voor uw moeite.
  10. Dank je, dat is alles.
  11. Dank je voor het cadeau.
  12. Ik ben in orde, dank je.
  13. "Bedankt voor de hulp." "Geen dank."
  14. Ik dank u voor uw vriendelijkheid.
  15. Dank u, met mij gaat het goed.