Betekenis van:
dinsdag

dinsdag (de ~ | meervoud dinsdagen)
Zelfstandig naamwoord
  • tweede dag v.d. werkweek
"op dinsdag"
"de derde dinsdag in september"

Hyperoniemen

dinsdag
Zelfstandig naamwoord
  • een dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
"Op dinsdag zal er een volle maan zijn."
dinsdag
Zelfstandig naamwoord
  • een dag van de week die na maandag en voor woensdag komt
"Op dinsdag zal er een volle maan zijn."

Voorbeeldzinnen

  1. Is het al dinsdag?
  2. Dinsdag was het immers koud.
  3. Het is aan het regenen sinds dinsdag.
  4. Vandaag is het dinsdag. Ik ben vissen aan het kopen.
  5. dinsdag
  6. Elke dinsdag
  7. dinsdag 3 april 2007
  8. dinsdag 18 maart 2008
  9. dinsdag 29 april 2008
  10. Dinsdag 7 april 2009
  11. Maandag 6, dinsdag 7 en woensdag 8 april 2009
  12. maandag 8, dinsdag 9 en woensdag 10 augustus 2011
  13. Elke inschrijvingsperiode eindigt om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de tweede en de vierde dinsdag van de maand, met uitzondering van de tweede dinsdag in augustus en de vierde dinsdag in december.
  14. Elke inschrijvingsperiode begint om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) op de eerste en de derde dinsdag van de maand, met uitzondering van de eerste dinsdag in augustus en de derde dinsdag in december.
  15. Indien de dinsdag een feestdag is, wordt de termijn met 24 uur vervroegd.