Betekenis van:
donderdag
donderdag
Zelfstandig naamwoord
- een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
"Op donderdag gaan we altijd naar onze tante."
donderdag
Zelfstandig naamwoord
- een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
"Op donderdag gaan we altijd naar onze tante."
Voorbeeldzinnen
- Gisteren was het donderdag.
- donderdag
- Donderdag 13, vrijdag 14 en maandag 17 april 2006 zijn vrije dagen bij de Commissie.
- In artikel 13, lid 1, eerste streepje, worden de woorden „en donderdag” geschrapt.
- Wijn die aan de consument wordt verkocht vanaf de derde donderdag van november van het oogstjaar.
- in de titel van deel A worden de woorden „en donderdag” geschrapt.
- Wijn die aan de consument wordt verkocht vanaf de derde donderdag van oktober van het oogstjaar.
- verstrijkt op donderdag 29 juli 2004 om 10.00 uur (Brusselse tijd).
- wekelijks op maandag en op donderdag, de hoeveelheden producten waarvoor aanvragen om een contract te sluiten zijn ingediend;
- De lidstaten stellen de Commissie iedere week uiterlijk op donderdag voor de voorafgaande week in kennis van:
- Aanvragen voor de eerste periode mogen evenwel niet later dan de tweede donderdag na de bekendmaking van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie worden ingediend.
- De termijn voor de indiening van de offertes voor volgende deelinschrijvingen verstrijkt telkens op donderdag om 9.00 uur (Brusselse tijd), behalve op 5 mei 2005.
- De termijn voor de indiening van de biedingen voor de volgende deelinschrijvingen verstrijkt telkens op donderdag om 9.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), behalve op 5 mei 2005.
- Federal Register, deel 73, nr. 10, dinsdag 15 januari 2008, Notices, blz. 2456; Federal Register, deel 73, nr. 80, donderdag 24 april 2008, Notices, blz. 22130.
- ’s middags, van maandag tot en met donderdag, van 14.30 uur tot 17.30 uur, en op vrijdag van 14.30 uur tot 16.30 uur.