Betekenis van:
egaal

egaal
Bijvoeglijk naamwoord
  • effen.
"Het kleedje was egaal rood."
egaal
Bijvoeglijk naamwoord
  • gelijkmatig.
"De lucht was egaal helder."
egaal
Bijvoeglijk naamwoord
  • onverschillig.
"'t Is mij egaal."

Voorbeeldzinnen

  1. Een eventuele automatische niveauregeling wordt, met het voertuig op een egaal horizontaal vlak, op het door de fabrikant aangegeven niveau afgesteld.