Betekenis van:
jou

jou
Persoonlijk voornaamwoord
  • tweede persoon enkelvoud () informeel
"Hij heeft jou gezien (lijdend voorwerp)."

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Is dit van jou?
  2. Ik hou van jou!
  3. Niemand kan jou vervangen.
  4. Ken ik jou?
  5. Ik dacht aan jou.
  6. Hij is gek op jou.
  7. Mogen we bij jou overnachten?
  8. Misschien houdt Tom van jou.
  9. Is deze fiets van jou?
  10. Ik zal jou persoonlijk bezoeken.
  11. Zonder jou ben ik niets.
  12. En met jou, hoe gaat het met jou?
  13. Ik ben eenzaam zonder jou.
  14. Ik laat het aan jou.
  15. Ik ben verliefd op jou.