Betekenis van:
jou
jou
Persoonlijk voornaamwoord
- tweede persoon enkelvoud () informeel
"Hij heeft jou gezien (lijdend voorwerp)."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Is dit van jou?
- Ik hou van jou!
- Niemand kan jou vervangen.
- Ken ik jou?
- Ik dacht aan jou.
- Hij is gek op jou.
- Mogen we bij jou overnachten?
- Misschien houdt Tom van jou.
- Is deze fiets van jou?
- Ik zal jou persoonlijk bezoeken.
- Zonder jou ben ik niets.
- En met jou, hoe gaat het met jou?
- Ik ben eenzaam zonder jou.
- Ik laat het aan jou.
- Ik ben verliefd op jou.