Betekenis van:
kerstmis

Kerstmis (de ~ | meervoud kerstmissen)
Zelfstandig naamwoord
  • van oorsprong christelijk feest op 25 en 26 December
"met Kerstmis"
"kerstmis vieren"

Synoniemen

Hyperoniemen

kerstmis
Zelfstandig naamwoord
  • een mis ter viering van het kerstfeest
"De kerk zat vol tijdens de kerstmis."
kerstmis
Zelfstandig naamwoord
  • een mis ter viering van het kerstfeest
"De kerk zat vol tijdens de kerstmis."
kerstmis
Zelfstandig naamwoord
  • mis tijdens de (kerst)nacht

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Kerstmis komt eraan.
  2. Ik was bijna tien toen mijn ouders mij een wetenschapsset cadeau deden voor Kerstmis.
  3. In veel lidstaten wordt bijvoorbeeld veel pluimvee (met name kalkoenen en ganzen) rond Kerstmis geslacht.
  4. De bemonstering moet betrekking hebben op de winterperiode, aangezien in veel landen rond Kerstmis pluimvee (met name kalkoenen en ganzen) op grote schaal wordt geslacht.
  5. Indien de voorlopige maatregelen (die moeten gelden terwijl het onderzoek loopt) in kwartaal 4 2004 worden beëindigd, zal dit leiden tot onzekerheid op de markt gedurende de drukste periode, net voor kerstmis.