Betekenis van:
kindertijd

kindertijd
Zelfstandig naamwoord
  • kinderperiode; kinderperiode

Synoniemen

Hyperoniemen


Voorbeeldzinnen

  1. Het lied herinnert me altijd aan mijn kindertijd.
  2. De kleine Martin had een rustige kindertijd in Atlanta, Georgia.
  3. Dit is het huis waarin de dichter zijn kindertijd heeft doorgebracht.
  4. En zo hing Dima's vriend uit zijn kindertijd zomaar op, Dima - net als daarvoor - met 99 kopeke te weinig achterlatend.
  5. Zowel voor diabetes als voor obesitas zal speciale aandacht uitgaan naar juveniele ziekten en factoren die zich in de kindertijd voordoen.