Betekenis van:
kleinkind
kleinkind (het ~ | meervoud kleinkinderen)
Zelfstandig naamwoord
- kind van je kind
"kleinkinderen hebben"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
kleinkind
Zelfstandig naamwoord
- het kind van iemands kind
"Ik stel mijn kleinkind even aan je voor."
Voorbeeldzinnen
- kleinkind
- wanneer u een bloedverwant in neerdalende lijn (zoon, dochter, kleinkind, enz.) van de overledene bent, de „fiche
- geen van de volgende verwantschapsbetrekkingen tussen de partners bestaat: ouder en kind, grootouder en kleinkind, broer en zuster, tante of oom en neef of nicht, schoonzoon of schoondochter;
- geen van de volgende verwantschapsbetrekkingen tussen de partners bestaat: ouder en kind, grootouder en kleinkind, broer en zuster, tante of oom en neef of nicht, schoonzoon of schoondochter.
- Personen worden slechts geacht leden te zijn van dezelfde familie indien zij op een van de volgende wijzen met elkaar bloed- of aanverwant zijn: i) echtgenoot en echtgenote, ii) ouder en kind, iii) broers en zusters (of halfbroers en halfzusters), grootouder en kleinkind, v) oom of tante en neef of nicht (oomzeggers), vi) schoonouder en schoondochter of schoonzoon, vii) zwagers en schoonzusters (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).