Betekenis van:
knaak

knaak
Zelfstandig naamwoord
  • een oud muntstuk van ƒ2.50
"Geef me er maar een knaak voor."
knaak (de ~ | meervoud knaken)
Zelfstandig naamwoord
  • muntstuk dat twee en een halve gulden waard is
"voor een knaak"
"een knaak de [twee/drie/...]"

Synoniemen

Hyperoniemen