Betekenis van:
koker

koker
Zelfstandig naamwoord
  • een smal cilindervormig hol voorwerp
"In de verborgen koker zat een geheim testament."
koker
Zelfstandig naamwoord
  • een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
"Mama was erg blij met de nieuwe koker voor haar keuken."

Voorbeeldzinnen

  1. .2 een brandklep in het onderste deel van de koker;
  2. .4 een vast aangebrachte inrichting om een brand in de koker te blussen.
  3. Het gedeelte van de koker tussen het schot of dek en de klep moet van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, en indien nodig, zodanig zijn geïsoleerd dat wordt voldaan aan het bepaalde in voorschrift II-2/A/12.1.
  4. Als alternatieve oplossing is een onbrandbare luchtkoker tussen de hut en de gang, geplaatst onder de sanitaire eenheid, toegestaan, mits de doorsnede van de koker niet meer bedraagt dan 0,05 m2.
  5. Het gedeelte van de koker tussen het schot of dek en de klep moet van staal of ander gelijkwaardig materiaal zijn, en indien nodig, zodanig zijn geïsoleerd dat wordt voldaan aan het bepaalde in voorschrift II-2/A/12.1.
  6. .2 een in het benedendeel van de koker geplaatste brandklep die automatisch en op afstand wordt bediend en ter aanvulling daarvan een op afstand bediende brandklep in het bovendeel van het kanaal;