Betekenis van:
kolom

kolom (de ~ | meervoud kolommen)
Zelfstandig naamwoord
  • rij in de bladspiegel
"in kolommen"
"de kolommen openen [voor inzendingen]"

Hyperoniemen

Hyponiemen

kolom (de ~ | meervoud kolommen)
Zelfstandig naamwoord
  • rij getallen of woorden onder elkaar
"een kolom cijfers/getallen/woorden"

Hyperoniemen

kolom
Zelfstandig naamwoord
  • een vrijstaand steunpunt van hout, steen, beton of metaal, vergelijk zuil
"De kolommen stonden vlak voor de gevel van het gebouw."
kolom
Zelfstandig naamwoord
  • elk van de naast elkaar staande vakken van een in de lengte verdeelde bladzijde
"De bladzijde was in twee kolommen verdeeld."
kolom
Zelfstandig naamwoord
  • een reeks van verticaal onder elkaar geplaatste getallen
"In een spreadsheet is het gemakkelijk de getallen in een kolom op te tellen."

Voorbeeldzinnen

  1. Kolom
  2. Kolom A
  3. Kolom IV
  4. Kolom I
  5. (kolom 1c)
  6. Kolom D
  7. Kolom 1
  8. Kolom 1:
  9. Kolom C
  10. kolom (4.1.1):
  11. HPLC-kolom:
  12. Kolom II
  13. Kolom 6
  14. (kolom 1a)
  15. KOLOM 1